11 april 2012

Hildebrand: colporteurs

Hildebrand (Nicolaas Beets, 1814-1903) nam in zijn Camera obscura het bezoek van de heer Kegge aan de auteur te baat om een indruk te geven van de colporteurs waardoor Leidse studenten begin 19de eeuw werden belaagd.
Eenigen tijd na de ontvangst van dit ‘reukoffer’ [een kistje sigaren] [...] zat ik op een regenachtigen Octobermorgen, waarop ik juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt, toen zich beneden mij een buitengewoon gestommel hooren deed.
   ‘Nog al hooger?’ vroeg eene zeer luide stem, die ik niet kende, ‘drommels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, ’t is hier suffisant donker, hoor! ik ben een kuiken als ik zien kan!’
   Het is niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat zich de kapitens van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen gestrande portefeuilles, of de ‘professeurs’ van onbekende lycaea, die ‘tijdstroomen’ aanbieden, of de doorgevallen kruideniers, die uit hunne verbrande pakhuizen niets anders hebben gered dan een mooie partij Zeeuwsche chocolade van duizend A’s, of de goedkoope portretteurs en silhouettemakers, die de eer hebben gehad uwen besten vriend ook af te beelden, of de konstenaars, die voor een spotprijs de geheele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen zetten, of de reizigers met inteekenlijsten op onmisbare boeken, waarvan een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op den hals te schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat opgemelde heeren, en al wat verder zich op eene listige wijze bij de studerende jeugd indringt, om op haar medelijden, onervarenheid, of blooheid te speculeeren, gewoon zijn zich aan te bieden; want indien zij geen Fransch of Duitsch of Luikerwaalsch spreken om uw hospita te overbluffen, dan nemen zij de beleefdste, beschaafdste en tevredenste houding der wereld jegens haar aan; en wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er ten volle mede bekend te wezen.
(N. Beets, Camera obscura (1851; 1ste druk 1839), gecit. n. ed. W. van den Berg e.a. (1998), p. 159 (DBNL). De geschiedenis van de familie Kegge was al in 1840 voltooid, maar is pas in 1851, in de 3de druk van de Camera obscura, toegevoegd. ‘Zeeuwsche chocolade van duizend A’s’: de kwaliteit van de vroeger vermaarde Zeeuwse chocola werd uitgedrukt in een aantal A’s; volgens Woordenschat (1899) echter hooguit zes.)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen