25 juli 2012

Simon Carmiggelt: gedateerd?

De bij zijn leven zeer bekende schrijver Simon Carmiggelt (1913-1987) – op het titelblad altijd S. Carmiggelt – is snel in vergetelheid geraakt. Op het Waterlooplein geldt hij al jaren als vrijwel onverkoopbaar, en zijn koers bereikte vorige week een dieptepunt, toen op een braderie in Dalfsen een dertigtal van zijn bundels werd aangeboden voor € 2,50. Sámen.
   Vraag je iemand waarom deze ooit razend populaire schrijver de lezers niet meer aanspreekt, dan luidt het antwoord waarschijnlijk ongeveer dat zijn humor sterk gedateerd is. Deels is dit juist – ik zal er straks een voorbeeld van geven –, maar deels berust het op de hardnekkige misvatting dat Carmiggelt vooral een humorist was, een schrijver van lollige cursiefjes. Dat was hij óók, vooral in zijn jongere jaren, maar daarnaast had hij, vooral in zijn latere werk, een scherp oog voor alledaagse misère, die hij treffend wist te kenschetsen. 
   In het stukje ‘Lopen door Parijs’ beschrijft hij onder meer een miezerig kermisje aan een van de boulevards:
De grote mensen kunnen zich, desgewenst, de hand laten lezen door madame Syrna, die moedeloos in een krat voor het station zit, noodlottig zeker van haar eigen toekomst, zonder daarvoor bepaald in haar hand te hoeven kijken. Net als psychiaters, kan ze alleen ánderen helpen.
Meesterlijk-bitter, dat ‘krat’.
   Wat Carmiggelt ook heel raak optekende waren de monologen en dialogen der wrokkigen en beschonkenen in de oude Amsterdamse cafés. In dezelfde bundel, in het stuk ‘Een patiënt’, laat hij het woord aan een galblaaslijder die het niet begrepen heeft op de medische stand:
‘Maar ja, ik bleef last houden, dus als weerloos proletariër moest ik er ten slotte toch aan geloven. Goed, die operatie lukt want ik heb uitstekend geneesvlees en ik leg daar op zo’n zaal met allemaal mensen, die ook d’r galblaas hebben laten verwijderen en wat merk ik, na een dag of wat? Ik merk dat al die mensen, stuk voor stuk, d’r galstenen gekregen hebben. Maar ik niet. Ik zeg tegen die zuster: ‘‘Zuster, waar blijven me galstenen?’’ Toen zegt ze: ‘‘Ja, die kommen wel.’’ Weer zo korzelig, weet je wel? Toen denk ik: dat neem ik niet. Iedereen krijgt z’n galstenen. Dan moet ik ze ook. Daar heb ik recht op. Ik laat me niet een beetje achteruitzetten, omdat ik toevallig met handel op straat sta. Dus ik zeg de volgende dag tegen die dokter: ‘‘Van twee dingen één – of ik heb morgen me galstenen, of er gaat een ingezonden stuk naar de krant.’’ Nou, daar zijn ze bang voor, hoor. Dezelfde avond had ik me galstenen al. In een glazen potje. Nou heb je galstenen en galstenen. Er lagen daar mensen, die hadden er twee of drie, van die grote karbonkels, waar niks an was. Maar ik had er wel dertig. En móói om te zien! Allemaal even groot en met een zekere goudglans, ’t Scheen iets heel bijzonders te wezen, want verscheidene geneesheren van andere zalen zijn komen kijken en hebben me ermee gecomplimenteerd.’
En dan is er, inderdaad, ook gedateerde humor. Een goed voorbeeld uit dezelfde bundel, uit het stuk ‘Journaal II’:
Gisteren moest ik op een overheidsbureau zijn, om iets af te halen. De portier had, na een blik op het papier, ‘loket twee’ gezegd. Dat was jammer, want daar stond een lange rij, terwijl voor loket één in het geheel geen belangstelling bleek te zijn. De ambtenaar, een zwierig jongmens, dat er uit zag of hij voor een semi-wetenschappelijke Prismapocket niet op de loop ging, zat dan ook in een toestand van fraai uitgebalanceerde ledigheid op zijn stoel, liet een klein, introvert boertje en keek daarna geruime tijd bekoord naar de muis van zijn linkerhand. Achter loket twee bevond zich een welmenende huisvader, lekker in de weer met het gecompliceerde begrip administratie. Het was boeiend hem bezig te zien. Ten gerieve van een logge vrouw, die aan de beurt was, begon hij eerst een lichtgroene kaart te kastijden met een stempel. Vervolgens schreef hij iets op een langwerpig stukje papier dat hij, na het met welgevallen te hebben bekeken, in een boek plakte. Hij opende een kastje, haalde een bevingerde tabel te voorschijn, las er enige tijd verzonken in, borg de tabel weer op, rekende iets uit op een blocnote, greep een kartonnen map, bracht een zegel aan het licht en plakte deze resoluut op een paars formulier, dat hij in een ijzeren machine plaatste, die er onder het slaken van een droge snik iets mee uithaalde.
Waarna nog een hele beschouwing volgt over het verschijnsel wachtrij. Dat neemt niet weg dat veel werk van Carmiggelt nog zeer lezenswaardig is. En spotgoedkoop. (Zie ook de afleveringen van 27-1-2012 en 15-3-2012.)
(S. Carmiggelt, Alle orgels slapen (1961), pp. 33, 46-47, 98, oorspronkelijk verschenen in Het Parool.)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen